Bevroren liefde

Haha, Gert. Nu nog eentje over ik kan niet schaatsen (of stijldansen). Die is dan voor mij. Dit schreef Dirk van Kampen onlangs op mijn Facebookpagina als reactie op mijn vorige verhaal ‘Ik kan niet (meer) zwemmen’. Nu was ik in het water geen held, maar op bevroren water kon ik aardig uit de voeten. Behalve één keer dan. Een jeugdherinnering die dankzij de reactie van Dirk weer naar boven kwam.

Het was in de zomer van 1962. Ik zat aan de waterkant van de singel, die voor de deur van mijn ouderlijk huis lag, te vissen. Naast me stond een emmer die ik voor de helft had gevuld met water. Daarin zou de vangst van die middag tijdelijk worden bewaard, zodat ik die trots aan mijn moeder zou kunnen laten zien. Er zouden die middag echter geen vissen in de emmer terecht komen. Ik was er namelijk met mijn gedachten helemaal niet bij en had niet in de gaten dat de vissen in de singel zonder echt toe te happen het pluimpje brood van het vishaakje hadden gesabbeld.

Ik was met mijn gedachten bij Sara, een klasgenootje op wie ik hopeloos verliefd was. Ik had haar dit nog niet durven zeggen. Daar was ik veel te verlegen voor. En ook bang afgewezen te worden. Zou dit mooie meisje wel verliefd op mij kunnen zijn? Ik had mijn dilemma besproken met mijn vriend Leen, die ook bij mij in de klas zat. Leen had een oudere broer en zus en wist dus alles al van de liefde. Hij gaf me het advies een madeliefje te plukken de bloemblaadjes er één voor één uit te trekken. “Terwijl je de blaadjes eruit trekt moet je zeggen: ze houdt van me, ze houdt niet van me, ze houdt van me, ze houdt niet van me. Dan weet je het”, sprak Leen.

Ik had mijn hengel in het gras gelegd en plukte een bosje madeliefjes. Ik was toen al een twijfelaar en een controlfreak en wilde de uitkomst niet van één madeliefje laten afhangen. Ik moest het zeker weten. Dus ontdeed ik het ene na het andere madeliefje van de bloemblaadjes. Ze houdt van me, ze houdt niet van me, ze houdt van me… Voor de zekerheid nog maar een flink bosje madeliefjes geplukt.

Het werd herfst. Hoewel ik de taluds van de singels in de omgeving al kaal had geplukt en de uitkomst van het bloemblaadjes trekken heel vaak ‘ze houdt van me’ was geweest, had ik het nog altijd niet aangedurfd om Sara mijn liefde voor haar te verklaren. Ik had haar al wel een keer aangeraakt. Dat was tijdens tikkertje op het schoolplein. Trots keek ik naar mijn wijsvinger. Die zou ik voorlopig niet meer wassen, nam ik mij voor.

Het werd winter en het had al een paar dagen flink gevroren. Het ijs op de singel was snel dik genoeg om erop te kunnen schaatsen. Met vriendjes uit de buurt deden we op de bevroren singel wedstrijdjes, tikkertje en ijshockey. Op een dag vertelde Leen dat hij en een aantal andere klasgenootjes ’s avonds naar de ijsbaan zouden gaan. Hij vroeg of ik ook meeging. Ik was daar nog nooit geweest. Het leek me wel wat, zeker toen ik hoorde dat Sara er ook zou zijn. Gelukkig vond mijn moeder het goed en dus liepen Leen en ik in het donker naar de ijsbaan. Daar aangekomen besloot ik dat het tijd werd om de stoute schoenen aan te trekken en Sara te vragen om ‘met mij te gaan’. De stoute schoenen waren in mijn geval overigens rubberen kaplaarzen. Die had mijn moeder op de groei gekocht en daar kon ik dus een extra paar extra dikke sokken in aan. Ik ging op een bankje zitten en begon mijn schaatsen onder te binden. Ik had in die tijd nog van die houten schaatsen die je moest onderbinden. Leen had een oudere broer en hij had dus al hockeyschaatsen waar die oudere broer uitgegroeid was. Ik was de oudste thuis en moest dus wachten tot ik zelf ergens uitgegroeid was voordat ik wat nieuws kreeg.

Terwijl ik nog met de lange veters zat te worstelen, had Leen zijn hockeyschaatsen allang aan en schaatste hij al rondjes op de ijsbaan. Eindelijk had ik ook mijn schaatsen ondergebonden en liep ik wankelend naar de rand van de ijsbaan. Daar kwam Leen aangeschaatst… Hand in hand met Sara… Ik voelde tranen in mijn ogen opwellen en wilde niets liever dan wegrennen. Weg van die ijsbaan. Weg van Leen en Sara. Maar dat deed ik niet. In plaats van er vandoor te gaan, stapte ik de ijsbaan op. Met mijn houten schaatsen die nooit geslepen waren. Ze voldeden prima op het hobbelige, stroeve ijs op de singel, maar waren niet geschikt voor de spiegelgladde ijsbaan. Ik stapte de ijsvloer op en ging meteen met een ferme zwaai onderuit. Leen en Sara reden me lachend voorbij. Sara keek nog een keer achterom en zag hoe ik me schuifelend naar de rand van de ijsbaan begaf. Ze lachte nog altijd. Mijn liefde voor haar was op dat moment bekoeld, zeg maar gerust bevroren.

En Leen dan? Vond je het geen rotstreek van hem?, zie ik u denken. Natuurlijk vond ik het een rotstreek, maar ik moest ook aan mijn toekomst denken. Leen was een kop groter dan ik en bijna uit zijn hockeyschaatsen gegroeid. En daar pasten mijn voeten nog prima in.

 

  1. Marianne op

    Rubberen kaplaarzen met veters?!
    Ik heb bijna een soort gelijke ervaring. Alleen was bij het mijn enige ervaring waarbij ik iemand met vlakke hand in het gezicht heb geslagen. Ik schrok er zelf van.
    Was verliefd op een jongen, Jeroen. Maar had het hem nog niet verteld. Het ijs was nog niet dik genoeg, Jeroen waagde zich op het ijs en zakte er door heen. Mijn vriendin riep toen keihard: Mar, je liefje is door het ijs gezakt, terwijl dat nog top secret was. Jaren later, op een reünie, heb ik aan haar gevraagd of ze het nog wist, maar nee. Blijkbaar had de mep mij meer dwars gezeten dan haar, ze kon het zich namelijk niet herinneren..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *