Dwaalspoor

“Kijk. Daar wordt het lichter. Daar moeten we heen, want daar is een open plek en ik heb het gevoel dat het de parkeerplaats is.” Johan wijst naar de plek waar het dichte bos in zijn ogen ophoudt. Vriendin Marjan kijkt op haar horloge. “We hebben nu bijna drie kwartier gelopen. De route is twee kilometer, dus ik denk dat je gelijk hebt”, zegt zij. Ze versnellen hun pas. Als ze bijna bij de rand van het bos zijn, ziet Johan in de verte geparkeerde auto’s staan. Hij ziet ook zijn kleine grijze voertuig. Hij ziet mensen bij zijn auto staan. En hij ziet ook dat iemand een portier van zijn auto opent. Maar dan ziet hij ook dat het zijn auto niet is. Het is zelfs helemaal niet de parkeerplaats waar hij zijn voertuig heeft achtergelaten. Daar staan ze dan. Midden in een uitgestrekt natuurgebied, geen idee waar ze zijn en welke kant ze op moeten. Het is laat in de middag. De zon maakt zich op om onder te gaan en in het bos wordt het langzaam maar zeker duister. “Daar”, zegt Marjan, wijzend op een paaltje waarvan de bovenkant geel is geverfd. “Daar gaat onze route verder.” Ze geven elkaar weer een hand en lopen het bos in. Steeds dieper het steeds donker wordende bos in.

Naarmate ze verder het bos in gaan, wordt het lopen moeilijker. Niet alleen door grote plassen en modderige paden, maar ook doordat ze eerder op de dag ook al een lange wandeling hadden gemaakt. Zelfs Marjan, die gewend is lange wandelingen te maken, raakt vermoeid. Johan voelt de spierpijn in zijn benen. Want Johan is geen loper. Hij loopt bijna nooit. Ja, kleine stukjes. Van zijn auto naar de plaats waar hij moet zijn. En de auto zet hij dan ook het liefst zo dicht mogelijk bij de plaats van bestemming. Als hij een volle vuilniszak in de container aan de overkant van de straat moet deponeren, kost het hem moeite om daarvoor niet even de auto te pakken. Johan heeft nu dus spierpijn en verlangt naar het einde van de wandeling. Marjan kijkt op haar horloge. “We zijn nu bijna anderhalf uur aan het lopen. De gele route is dus geen twee kilometer. Ik denk dat ik me heb vergist”, constateert ze enigszins schuldbewust. Want het was haar idee geweest om daar waar de verschillende routes zich splitsten de gele route te volgen, omdat ze dacht gezien te hebben dat die maar twee kilometer was en ze hadden afgesproken om maar een klein stukje het bos in te gaan. Want het was al laat en ze hadden eerder die dag al een flinke afstand gelopen. En Johan is geen loper. Maar dat weet u al.

Heel even overweegt Johan om te vertrouwen op zijn richtinggevoel dat hem nog nooit in de steek heeft gelaten, maar hij beseft dat dit niet verstandig is. Daarvoor is hij te gedesoriënteerd en het natuurgebied te uitgestrekt. “We blijven de gele paaltjes volgen”, zegt Marjan. “Dan komen we vanzelf weer bij het beginpunt.” Om er droog aan toe te voegen: “Het is alleen te hopen dat het niet een route van tien kilometer is.” Johan knikt. Ze lopen verder.

Net op het moment dat Johan visioenen krijgt van hongerige wilde dieren -een verdwaalde wolf, wilde zwijnen- die op zoek gaan naar een prooi omdat het voor hen etenstijd is en van hulpdiensten die zoektochten organiseren omdat er een verlaten auto op een parkeerterrein is aangetroffen, bereiken ze de bosrand. Op een punt dat Johan herkent. Hier waren ze bijna twee uur eerder langsgereden. En daar ginds in de verte, ergens na die bocht in de weg, is de parkeerplaats waar de auto staat. Marjan en Johan kijken elkaar aan. “Wat doen we?”, vraagt Marjan. “Gaan we langs de weg of volgen we de gele paaltjes?” Johan denkt even na en zegt: “We maken de gele route af. Het kan nu niet ver meer zijn.” Ze slaan rechtsaf. Het blijkt een verkeerde beslissing te zijn, want als ze eindelijk bij het eerstvolgende gele paaltje arriveren, blijkt het helemaal geen geel paaltje te zijn, maar een geel bordje dat aangeeft dat ze hier niet verder mogen omdat het privéterrein is.

Ik zal u het vervolg van de tocht besparen. Johan en Marjan zijn uiteindelijk bij de auto aangekomen en teruggekeerd in hun vakantiehuisje. Daar verontschuldigt Marjan zich voor het feit dat zij de afstanden van de verschillende routes door elkaar heeft gehaald. “Ben je gek”, zegt Johan. “Daar hoef je je niet voor te verontschuldigen. Ik vind het achteraf gezien zelfs wel leuk. Dit zullen we niet vergeten.” En hij ziet voor zich hoe ze over vele jaren samen achter hun rollators in het plantsoentje bij het zorgcentrum wandelen. En dat hij dan zegt: “Weet je nog schat, ons eerste weekend samen uit? Ons avontuurtje in het bos.”

 

 

Één reactie op “Dwaalspoor

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *