Fiets

Het is nog niet zo dat ik me er ernstig zorgen over maak en ermee naar de huisarts ga, maar ik heb ergens last van. Ik heb het al mijn hele leven. Vroeger had ik het zo af en toe en ging het vrij snel weer over. Maar naarmate ik ouder word, komt het vaker voor en kan het me soms urenlang bezighouden. Dan zit ik op de bank – daar zit ik trouwens wel heel vaak merk ik als ik mijn eigen verhalen teruglees- en dan gebeurt het.

Deze week had ik het weer. Het was al avond en ik zat dus op de bank. Ik keek naar buiten en zag dat de fiets van mijn dochter nog buiten stond. Dat is niet bijzonder. Dat gebeurt zo vaak. En dus stond ik – net als ik altijd doe als de fiets van mijn dochter nog buiten staat- op van de bank en liep naar de gang. Onderaan de trap riep ik naar boven: “Zet je je fiets nog in de schuur?” Nu ‘woont’ mijn dochter op de zolderverdieping en ze had muziek aan. Ze hoorde me dus niet. En dus riep ik nog maar een keer: “Zet je je fiets in de schuur?” Ik hoorde dat de muziek zachter werd gezet. “Wat zeg je?”, vroeg mijn dochter. “Fiets, schuur!”, antwoordde ik. “Ja, ik doe het zo”, riep zij van boven. Ja ja, dat ken ik, mompelde ik in mezelf terwijl ik terugliep naar de huiskamer. Mijn kinderen en ik hebben namelijk een totaal ander idee over het begrip ‘zo’. Laten we zeggen dat daar uren verschil in kunnen zitten.

Terug op de bank echode het woord fiets in mijn hoofd. Fiets, fiets fiets, fiets. Ik wist meteen hoe laat het was, want zo begint daar waar ik last van heb altijd. Met een woord dat zich in mijn hoofd nestelt en dat zich naarmate het vaker klinkt van mij vervreemd. Dan stel ik vast dat het eigenlijk een raar woord is, maar tegelijkertijd dringt zich de vraag op waar dat woord vandaan komt. Wie heeft ooit bedacht dat een fiets een fiets is. Of een boom een boom. Of een sok een sok. Ik vind het razend knap dat iemand ooit iets in elkaar heeft gebreid en het ding sok noemde. En dat het al eeuwen meegaat. Nou ja, niet letterlijk, want na enige tijd vallen er gaten in of ze verdwijnen in de wasmachine.

Fiets, fiets, fiets, fiets, klinkt het nu al dagen met enige regelmaat in mijn hoofd. Ik probeer mijn gedachten te verzetten en denk: auto, auto, auto, auto. Veel minder vermoeiend dan fietsen en een stuk comfortabeler. Het werkt niet. Ik blijf maar op die fiets zitten en fiets in gedachten terug in de tijd. Het is rond 1800 en ik zie een man die zich in zijn vrije tijd terugtrekt in de schuur om te knutselen. “Wat doe jij toch altijd in de schuur?”, had zijn vrouw al vaak aan hem gevraagd. “Ik ben bezig aan een uitvinding”, was dan steevast zijn antwoord geweest. Nu is het dan zover. Na jarenlang knutselen is zijn uitvinding klaar. Hij troont zijn vrouw mee naar de schuur. “Tadaaa!”, roept hij uit. “Dit is ‘m dan.”

De vrouw kijkt naar het ding dat in de schuur staat. “Bijzonder”, zegt ze. “Wat is het?” De man kijkt zijn vrouw trots aan en zegt: “Ik noem het een fiets.” “Fiets”, prevelt de vrouw. “Hoe kom je erop?” “O, heel eenvoudig”, antwoordt de man. “Je zwaait je been erover heen en gaat op het zadel zitten.” “Nee, dat bedoel ik niet. Ik bedoel, hoe kom je erop om dat ding fiets te noemen”, zegt de vrouw. “Heb ik lang over nagedacht”, antwoordt de man. “Ik moest natuurlijk een woord hebben dat nog niet bestaat.” “Modem”, zegt de vrouw. “Dat woord bestaat ook nog niet. Zo had je je uitvinding dus ook kunnen noemen.” “Heb ik wel aan gedacht”, zegt de man. “Maar ik vond het niet zo goed klinken. Ik bedoel: zullen we samen een lekker stukje gaan modemen? Dat bekt niet lekker. Bovendien geeft dat in de toekomst problemen, want hoe moeten de mensen dan op internet komen?” “Daar heb je wel gelijk in”, moet de vrouw toegeven. “Fietsen klinkt beter dan modemen. Kun je me trouwens leren hoe het moet, dat fietsen?” “Ja hoor”, zegt de man. “Maar niet op deze.”Waarom niet?”, vraagt de vrouw. “Is lastig uit te leggen”, antwoordt de man. “Dat heeft te maken met een gezegde dat nu nog niet bestaat.”De vrouw kijkt haar man niet begrijpend aan. “Dat je het op een oude fiets moet leren”, legt de man uit. “En deze is nog nieuw.”

Ik open mijn ogen. De fiets is uit mijn hoofd verdwenen. Dat lucht op. Ik kijk om me heen en zie dat er nog wat huishoudelijke taken moeten worden verricht. Ik loop naar de gang, open de deur van de gangkast en zie de stofzuiger… Nog net op tijd kan ik de deur van de kast weer dichtgooien. Voorkomen is voor mijn kwaal beter dan genezen.

  1. Het woord ‘schoen’ zoals wij dat kennen, schijnt ooit te zijn begonnen als ‘schoe’. Je had dus één schoe, twee schoen. We zijn nu in een fase beland dat het één schoen, twee schoenen is. Het is echter een kwestie van tijd dat het één schoenen, twee schoenenen wordt etc.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *