Geboren worden is geen pretje

Binnenkort ga ik op kraamvisite. Mijn buren zijn namelijk sinds vorige week de gelukkige ouders van een dochtertje. En natuurlijk wil ik de pasgeborene ook bewonderen. Omdat wij hier allemaal een stevige griep te pakken hebben, is het nog niet tot een bezoek gekomen. Je kunt met zo’n teer schepseltje niet voorzichtig genoeg zijn. Bovendien vind ik dat een pasgeboren baby het recht heeft om even aan de nieuwe situatie te wennen en de frustraties van de geboorte te verwerken. Geboren worden is namelijk helemaal geen pretje. Geboren worden is eigenlijk een mensonterende gebeurtenis.~~~~

~~~~Het is 28 mei 1952. Ik verblijf nu al zo’n negen maanden heel comfortabel in de baarmoeder van mijn moeder. Het is er aangenaam en ik heb het er dan ook prima naar mijn zin. Ik hoef hier niet zo nodig weg. Al moet ik toegeven dat de ruimte de laatste tijd wel wat krap begint te worden en een verhuizing eigenlijk een logische stap zou zijn. Maar daar maak ik geen haast mee. Mijn moeder denkt daar kennelijk heel anders over en vindt het nu zo langzamerhand wel tijd worden dat ik ‘op mezelf ga wonen’. Gisteravond begon zij mij al lichte signalen te geven dat ik mij richting uitgang moest begeven. Ik heb me daar niets van aangetrokken en bleef lekker zitten waar ik zat. Maar vandaag is mijn moeder al enkele uren bezig om mij met harde hand de deur te wijzen. Ik heb me stevig verzet, maar mijn moeder is sterker dan ik en nu moet ik me dan ook gewonnen gegeven. Ik staak mijn verzet en wacht gelaten op het laatste duwtje.

Bij de uitgang word ik opgewacht door een  vreemde mevrouw. Ik vind haar al meteen niet aardig. Zij is de belichaming van het begrip tangverlossing. Wat een gemene tang van een vrouw is dat. Ik ben nog niet buiten of ze knipt zonder pardon de veiligheidsriem, waarmee ik aan mijn moeder vastzit, door. Ze grist me razendsnel bij mijn moeder vandaan. Mocht ik nog de illusie hebben dat er een weg terug is, dan is die nu vervlogen. Ze tilt me omhoog. Mijn gezicht is nu vlak bij haar gezicht. Ik schrik me rot en krijg spontaan een huilbui. “Het is een jongen”, zegt de tang, terwijl ze ongegeneerd naar mijn edele delen kijkt. Ik zou van schaamte het liefst door de grond willen zakken. Even later legt ze me op een soort van kast en begint me schoon te poetsen. Ik probeer haar bij me vandaan te trappen en zwaai woest met mijn armen om me heen. Maar ook zij is veel sterker dan ik. Het volgende frustrerende moment dient zich alweer aan. Want mocht ik gedacht hebben dat mijn ouders een mooie broek en een overhemd voor me klaar hadden liggen -het is per slot van rekening mijn verjaardag- dan had ik dat mooi mis. De tang legt me op een grote witte lap en begint die tussen mijn benen door te vouwen. Zo ontstaat een soort van origami-onderbroek die bijna tot aan mijn borst reikt. Trots tilt de tang me op en legt me naast mijn moeder. Ik schaam me dood en kan alleen maar hopen dat de kraamvisite geveld is door een stevige griep en het verstandig acht voorlopig niet te komen.~~~~

~~~~Het is 11 juni 1993. Ik ben nog maar net op mijn werk als de telefoon gaat. Of ik direct naar het ziekenhuis wil komen, want de artsen hebben besloten om mijn tweeling middels een keizersnede te gaan ‘halen’. Ik spring van mijn stoel, roep naar mijn collega’s dat het zover is en race zo snel mogelijk naar het ziekenhuis. Als ik me daar meld, krijg ik een OK-jas aan. Verder word ik voorzien van een papieren mutsje op mijn hoofd, een mondkapje,  plastic handschoenen en een soort klompen. Als ik in de operatiekamer kom zie ik Tiny liggen. Zij heeft een ruggenprik gekregen. Tiny schiet in de lach als ze mij als een wit weggetrokken chirurg binnen ziet stappen. Ik ben bloednerveus, Tiny is de rust zelve.

Dan ontvouwt zich een Hans Klok-achtig schouwspel. Er wordt een groot groen scherm op Tiny’s lichaam geplaatst, net boven haar buik. Ik kijk naar boven, want ik verwacht een enorme cirkelzaag die dwars door Tiny heen zal gaan, waarna haar benen naast haar hoofd zullen worden gereden. Dat gebeurt natuurlijk niet. Wel hoor ik allerlei geluiden achter het scherm vandaan komen en als ik er voorzichtig langs kijk zie ik verschillende verpleegkundigen klaarstaan om mijn kinderen in ontvangst te nemen. Wat zich achter het scherm precies afspeelt kan ik niet zien. Al heel snel hoor ik de dokter zeggen: “Hier is het meisje.” En vrijwel tegelijkertijd hoor ik onze dochter huilen. Vier minuten later hoor ik: “En dit is de jongen.” Het blijft heel even stil, maar dan zet ook zoonlief het op een brullen. Omdat ze te vroeg ter wereld kwamen, worden de kinderen snel naar de kraamafdeling gebracht.

Even later maken we kennis met onze tweeling. Dochter en zoon liggen ieder in een eigen couveuse. Ze zijn zo klein dat bij allebei het kleinste maatje Pampers bijna tot onder hun okseltjes komt. Om hun hoofdjes warm te houden, hebben verpleegkundigen van een soort verband mutsjes gemaakt. De open bovenkanten dichtgeknoopt met een roze en een blauw lintje. Ze zien er uit als smurfen. Ze doen alsof ze tevreden slapen, maar ik voel hun schaamte. Zo wil je niet tentoongesteld worden.~~~~

Binnenkort ga ik op kraamvisite bij de buren. Als de griep over is.

  1. Hahhahah,wat een leuk verhaal. Je hebt de geboorte van je buurkind mooi benut om daar lijnen te trekken naar je eigen ”op de wereld” komen en de geboorte van je eigen kinderen. Heel leuk gedaan. Het is altijd leuk als de geboorte breder uitgeschreven wordt dan slechts een nieuw kind op de wereld zetten. Er zitten zoveel aspecten aan vast. Prettig om te lezen. Kan zo in je boek met korte verhalen Gert.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *