Gedroomde dood

Zoals hij daar ligt, met zijn handen ineengevouwen op zijn buik, lijkt het of Johan slaapt. Maar Johan slaapt niet. Hij is zich bewust van wat er om hem heen gebeurt. Hij hoort het geroezemoes van stemmen en rinkelende koffiekopjes. Hij hoort ook treurige vioolmuziek. Het irriteert hem mateloos. Johan houdt niet van vioolmuziek. En helemaal niet van treurige vioolmuziek. ‘Het lijkt wel of er iemand dood is’, denkt hij. Dan hoort hij dichtbij stemmen.

“Wat ligt hij er vredig bij.”
“Het lijkt wel of hij slaapt. Je ziet niet aan hem dat hij zo gruwelijk aan zijn einde is gekomen.”
“Nee, hij ligt er mooi bij.”
“Maar wel veel te jong.”
“Ik weet eigenlijk niet hoe oud hij was.”
“Hij was 61. Volgende maand zou hij 62 zijn geworden.”
‘Was? Was? Ik ben er nog, hoor’, denkt Johan. Hij wil dat ook uitroepen, maar het lijkt wel of zijn lippen aan elkaar zijn geplakt. Hij probeert zijn ogen te openen, maar ook dat lukt hem niet.
“Dat is inderdaad nog niet zo oud?”
“Ik vind het triest, hoor. Zo jong nog.”
“Het is ook triest. Vooral de manier waarop. Hij was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.”
“Hard hoor. Maar ja, hij ligt er in elk geval vredig bij.”
Johan hoort een mannenstem die de aanwezigen attent maakt op het feit dat de kist over enkele ogenblikken gesloten wordt en er nog een laatste mogelijkheid is om afscheid te nemen. De aanwezigen kunnen daarna naar de aula alwaar nog een korte plechtigheid zal worden gehouden.

Johan hoort hoe de deuren van de rouwkamer worden gesloten. Hij hoort ook twee mannen met elkaar praten terwijl ze de kist sluiten.
“Heb je gisteravond nog naar het voetbal gekeken?”
“Nee, niet gezien. Ik had visite.”
“Nou dan heb je wat gemist, hoor. Wat een wedstrijd. Toch vreemd dat Barcelona zo slecht speelde. En die Messi, die was geen schim van de sterspeler die hij ooit was.”
“Ik had de wedstrijd graag gezien, maar ja, als je visite hebt, is het niet netjes om de tv aan te zetten.”
“Nee, dat is zo. Oh, stil. We moeten naar binnen.”
Johan voelt dat de kist de aula wordt binnengereden. Hij hoort geschuifel, gekuch en gesnik. En weer hoort hij die treurige vioolmuziek. ‘Ik heb er genoeg van. Ik wil eruit’, denkt hij. Hij bonkt en schreeuwt, maar hij wordt niet gehoord.

Met een schok komt Johan overeind. Hij kijkt verdwaasd om zich heen. Op de display van de wekker ziet hij 3:56. ‘Bizar’, denkt hij. ‘Exact dezelfde tijd als gisternacht.’ Hij stapt uit bed en loopt naar beneden om een sigaret te roken. Terwijl hij de rook diep inhaleert, denkt hij terug aan wat hij die nacht ervoor meemaakte. Hij was op een voor hem onbekende plek in een onbekende stad. Plots zag hij twee mannen die pistolen op hem richtten. In paniek draaide Johan om en begon te rennen. Achter zich hoorde hij schoten en hij voelde hoe meerdere kogels zijn lichaam binnendrongen. Vreemd genoeg voelde hij geen pijn en hij rende door. Van het ene op het andere moment bevond hij zich in een bos. Hij hield op met rennen en keek om zich heen. Daar waren de mannen weer en opnieuw openden zij het vuur op hem. En weer zette Johan het op een lopen. Ook nu weer werd hij vele malen door kogels geraakt, maar hij bleef lopen. Hij kwam de mannen nog één keer tegen. En toen was het 3:56 uur en schrok hij hyperventilerend wakker.

Johan steekt nog een sigaret op. Hij denkt na over de twee dromen, die kennelijk aan elkaar gelinkt waren. “Hij was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.” ‘Een soort vervolgdroom’, mompelt hij in zichzelf. ‘Dat moet haast wel een betekenis hebben. Maar welke?’ Hij kijkt op de klok en ziet dat het al tegen vijven loopt. ‘Toch maar proberen om nog een paar uurtjes te slapen’, denkt hij en loopt naar boven.

Johan ligt weer in bed, maar de slaap wil niet komen. De dromen malen in zijn hoofd. Hij kijkt op de wekker. Die geeft 5:24 aan. En dan opeens weet hij het. Hij ziet de betekenis van de dromen. ‘Gebeurtenissen in mijn leven kunnen nog zo hard op me inbeuken, me laten voelen als aangeschoten wild, ik blijf overeind. Misschien gekwetst, gewond, beschadigd, maar ik ga door. Ik mag me misschien wel eens laten kisten, ik laat me niet begraven. Ik sta op en ga door. Ik ben een overlever.’ Hij draait zich om en valt in slaap.

Tegen 8:00 uur wordt Johan wakker. “Zachtjes, papa slaapt nog”, hoort hij zijn zoon tegen zijn dochter zeggen. ‘En hij ligt er vredig bij’, schiet het door Johans hoofd. Hij moet er zelf om glimlachen.

  1. hi Gert,
    prachtige verwoording van een boze droom die vele mensen uit eigen ervaring kennen. En jij hebt het opgeschreven, en hoe.
    Rolf

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *