Gruwelhuis

Ik sta op het punt een dramatische beslissing te nemen. Het moet gebeuren. Ik loop er nu al een week of twee tegenaan te hikken, maar nu is het punt bereikt dat uitstel niet meer verantwoord is. Het moet gebeuren. Eigenlijk moest dat vorig jaar al. En ik was het toen ook vast van plan. Er was toen zelfs al het een ander geregeld, maar door langdurige ziekte is het er niet van gekomen. Maar nu moet het toch echt gebeuren. ~~~~

~~~~Het is december  1961. Het is een mistige en koude morgen in Tuindorp-Vreewijk in Rotterdam. Ik ben op weg naar school. De Juliana van Stolbergschool –School met den Bijbel- is gevestigd aan de Grift. Ik woon aan de Langegeer. Om bij school te komen moet ik vlakbij huis het bruggetje over, de hele lange Lede en dan nog een stuk van de Grift aflopen. Een lange, maar overzichtelijke wandeling met onderweg een aantal herkenningspunten.  Op het eerste stuk, van de Langegeer tot de Dreef, kom ik langs het huis van Karel Schot, een schoolmeester die op de school waar hij les geeft in de klas zieke en gewonde vogels verzorgt. Regelmatig zie ik dat bij zijn huis vogels worden gebracht. Ik steek de Dreef over en wandel over het tweede stuk van de Lede tot aan de Vredeskerk, op de hoek met de Vonder.

Het derde stuk van de Lede, tot aan de Groenezoom, is doorgaans een saai stuk. Maar niet vandaag. Voor de ingang van de Vredeskerk valt mijn oog op iets dat ik op de grond zie. Ik ga op mijn hurken zitten om te bekijken wat het is. Het is een klein bloedvlekje. Zomaar een druppeltje. Ik kom overeind en loop door. Een paar stappen verder zie ik opnieuw een bloedvlekje op de grond. En verderop ligt er nog één, en dan nog één. Het is een heel spoor van bloedvlekjes die almaar groter worden. Dan houdt het spoor plotseling op. Ik ga een paar stappen terug en zie dat het bloedspoor verder gaat op het tuinpad dat naar de deur van een huis leidt. Hier moet iets gruwelijks gebeurd zijn, realiseer  ik me. Ik heb alleen geen idee wat er gebeurd zou kunnen zijn. Kom op zeg, het is 1961. De tijd dat mensen elkaar om het minste of geringste neersteken of overhoop schieten ligt nog ver voor ons. Het is geen 2012. Van moord en doodslag heb ik met mijn 9 jaar nog nooit gehoord. Natuurlijk weet ik dat er boeven zijn. Ik lees ook jongensboeken. En daar komen heus wel boeven in voor, maar die zijn dan van het kaliber Snuf en Snuitje. Die proberen parels te stelen, maar het lukt ze natuurlijk nooit.  En van bloedvergieten is al helemaal geen sprake. Nee, wat hier gebeurd is gaat mijn verstand te boven. Maar het moet gruwelijk zijn geweest, dat staat voor mij wel vast. Ik kijk naar het naambord op de gevel en op dat moment hoor ik in het huis een donderende mannenstem, gevolgd door hoog snerpend geluid dat me door merg en been gaat. Ik verstijf van schrik. Dan draai ik me om en ren het laatste stuk zo snel mogelijk naar school. Voor herkenningspunten heb ik even geen oog meer. Ik moet weg van dit gruwelhuis.

~~~~Het is februari 1962. Ik loop met knikkende knieën naast mijn moeder op de Lede. We zijn al bijna bij de Vredeskerk. Dat we de Dreef al zijn overgestoken is me ontgaan. Mijn hoofd zit vol angstige gedachten. Ik weet waar we naar toe gaan. Ik heb het mijn moeder zelf aan mijn vader horen vertellen. “Morgen ga ik met Gert naar Van Doorn”, zei ze. Mijn adem stokte en mijn hart bonsde. Van Doorn. Die naam staat op de gevel van het gruwelhuis, waar ik na het ontdekken van het bloedspoor ook later verse bloedsporen heb waargenomen.

We lopen het tuinpad van het gruwelhuis op. De deur is open en we gaan naar binnen. We komen in een kamer waar nog meer mensen zitten. Op ongemakkelijke houten banken. “Na wie zijn wij?”, vraagt mijn moeder. Een mevrouw steekt haar vinger op. “Die mevrouw moeten we in de gaten houden”, fluistert mijn moeder in mijn oor. Ik kijk om me heen en zie aan de gezichten van de andere mensen dat zij ook weten dat hier iets niet pluis is. Ze voelen zich zichtbaar niet op hun gemak. Dan klinkt plotseling een doffe zoemtoon in de kamer. Een meneer staat op en gaat een andere kamer in. Het is even stil, maar dan hoor ik plotseling weer dat hoge snerpende geluid en die donderende mannenstem. De meneer komt niet meer terug. Nog drie keer gaat de zoemer en nog drie keer gaan er mensen naar die andere kamer. En telkens weer dat geluid en die stem. Niemand komt weer terug. Ook de mevrouw die ik in de gaten moest houden niet. De zoemer gaat weer. Mijn moeder staat op en zegt: “Wij zijn aan de beurt.”

We lopen een andere kamer in en daar staat hij… de man met die donderende stem. Er zit ook een mevrouw aan een tafeltje. Ik moet in een rare stoel met allerlei instrumenten eraan gaan zitten. De man wil dat ik mijn mond opendoe. Ik gehoorzaam. De man kijkt met een spiegeltje in mijn mond en punnikt wat met haaknaalden aan mijn tanden en kiezen. Ik hoor hem iets met linksonder en een getal zeggen tegen de mevrouw die aan het tafeltje zit. Dan pakt hij één van de instrumenten en zet het op één van mijn kiezen. En ja hoor, daar is het… dat hoge snerpende geluid. Mijn laatste uur heeft geslagen. Mijn mond valt van schrik een beetje dicht. “Mond open”, brult de man met zijn donderende stem. “Open, die mond.” Ik probeer te gehoorzamen, maar het wil niet echt lukken. “Bek open”, schreeuwt de man. Hij doet me pijn en ik zou hem wel om een verdoving willen vragen. Maar het is 1962. Ik ben 9 en heb nog nooit van een verdoving gehoord. En in 1962 wordt trouwens nog gewoon zonder verdoving in tanden en kiezen geboord. Het is geen 2012.~~~~

~~~~Het is december 2012. Ik sta op het punt om een dramatische beslissing te nemen. Deze week bel ik mijn tandarts om een afspraak te maken. Het moet. Vorig jaar heeft zij al een renovatieplan voor mijn gebit opgesteld. Vijf behandelingen in een tijdsbestek van twee maanden zouden het worden. Maar een dag voor de eerste behandeling werd ik plotseling opgenomen in het ziekenhuis en in de maanden die volgden was ik te duizelig om me naar de tandarts te begeven. Een paar maanden geleden brak een kies die onderdeel was van het renovatieplan. Pijnloos, dus geen reden om overhaast naar de tandarts te gaan. Twee weken geleden liet de vulling aan de achterkant van mijn voortanden los. Ik heb nog even afgewacht of het ontstane gaatje op natuurlijke wijze zou dichten, maar het puntje van mijn tong geeft aan dat dit niet gebeurt. Tijd dus om een afspraak te maken.

Mijn tandarts deelt haar praktijk met een aantal andere tandartsen. In de gezamenlijke open wachtruimte klinkt muziek. Geen zoemers, want je wordt door de tandarts of een assistente opgehaald. Vanuit verschillende kamers komt nog wel  het hoge snerpende geluid, maar donderende stemmen heb ik er nog nooit gehoord. De tandarts is altijd vriendelijk.  Als je wilt kun je voor het boren om een verdoving vragen. En hoe goed je ook speurt, een bloedspoor dat vanuit de praktijk komt zul je niet ontdekken. Tegenwoordig krijg je na het trekken van een kies een gaaspropje in je mond zodat je niet bloedspuwend huiswaarts hoeft te keren. We leven niet meer in 1962. Maar toch blijft een tandartsenpraktijk voor mij een gruwelhuis.

  1. Tineke Cannon op

    Bah. Tandarts. Mijn moeder zei dat het helemaal niet zeer zou doen, in 1964. Ik liep lachend naar binnen en huilend weer naar buiten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *