Mijn moeder

Het is 21 maart 1979. Mijn vader en ik zitten samen in de kamer van een arts in de Dr. Daniël den Hoedkliniek in Rotterdam. We hebben zojuist te horen gekregen dat mijn moeder niet lang meer te leven heeft. De kankercellen die haar vijf jaar geleden al een borst hebben gekost, hebben nu ook haar lever aangetast. “Het is een kwestie van hooguit enkele weken”, zegt de arts. “Weet mijn vrouw het al?”, vraagt mijn vader. “Ja”, antwoordt de arts. “Zij weet het al.”

Na het gesprek gaan mijn vader en ik naar de zaal waar mijn moeder ligt. Ze ziet ons binnenkomen en glimlacht. Mijn oog valt op een madeliefje dat ze in het knoopsgat van haar pyjamajasje heeft gestoken. “Het is vandaag lente”, zegt mijn moeder. Even later zegt ze dat ze snel naar huis wil, want ze wil graag thuis sterven. Mijn vader en ik beloven haar dat we meteen een bed in de woonkamer zullen zetten, zodat ze zo snel mogelijk naar huis kan komen.

Het is 3 mei 1979. Ik hoor mijn moeder aan de telefoon. Ze praat met haar schoonzus Nel, voor mij natuurlijk tante Nel. “Hallo Nel met Wil. Ik bel je even om te zeggen dat ik gisteravond ben overleden”, hoor ik mijn moeder zeggen. Ik schrik wakker en zit meteen rechtop in het logeerbed dat in mijn vroegere slaapkamer staat. Verdwaasd kijk ik om me heen. Ik stap uit bed en loop naar beneden. Mijn vader beëindigt net een telefoongesprek. Achter in de kamer staat het bed met daarop het lichaam van mijn moeder. Gisteravond is zij overleden, slechts 48 jaren jong.

Het is 5 oktober 2013. Ik zit op de bank in mijn huiskamer. Ik heb geen idee wat de aanleiding was, maar toen ik vanmorgen wakker werd dacht ik meteen aan mijn moeder. En het laat me niet meer los. Ik denk aan mijn jeugd en probeer me mijn moeder weer scherp voor de geest te halen. Maar verder dan flarden van herinneringen kom ik niet. Het is ook al zo lang geleden, houd ik mezelf verontschuldigend voor. Er zijn zo veel herinneringen bovenop gestapeld. Ik schenk nog maar eens een mok koffie in en mijmer verder. Langzaam maar zeker komen steeds meer gebeurtenissen uit het verleden naar boven.

Ik zie haar weer voor me. Een kleine, tengere vrouw. Een liefdevolle moeder die mijn drie jaar jongere zus Carry en mij na schooltijd altijd opwachtte met een kopje thee en een kaakje. Meestal een Knappertje. Ik kan me niet herinneren dat ze mijn zusje en mij ooit een tik heeft gegeven, hoewel we die ongetwijfeld wel eens verdiend zullen hebben. Mijn moeder sloeg niet. Nee, ze kneep. Heel gemeen in je bovenarm. Maar kon daarna weer heel snel gezellig een potje met je sjoelen.

Het leven van mijn moeder werd beheerst door angsten. Zij was bang voor heel veel dingen: onweer, vuurwerk, onverwachte geluiden, honden, wespen en mogelijk onheil dat de leden van haar gezin zou kunnen treffen. Zij kon daarentegen onbedaarlijk lachen als anderen ‘onheil’ overkwam. Mijn moeder had voor dergelijke aangelegenheden altijd een stapeltje onderbroeken in de kast klaarliggen. En als er zich zo’n voorval voordeed, ging zij steevast gierend van het lachen naar drogist De Wit op het Breeplein. Een voorbeeld: wij hadden onder de trap een soort keldertje. Het was eigenlijk meer een verlaagd gedeelte van de voorraadkast waar je kon komen via een twee treden tellend trapje. Op een dag ging mijn vader het keldertje opruimen. Hij had het trapje even weggehaald, zodat hij wat meer ruimte had. Hij waarschuwde ons er nog voor, maar toen hij zelf het keldertje weer in wilde gaan, was hij vergeten dat het trapje weg was. Hij maakte een lelijke misstap en lag languit in het keldertje. Mijn moeder zag het gebeuren en schrok. Maar toen zij zag dat mijn vader ongedeerd was, schoot ze onbedaarlijk in de lach, ging naar de keuken, pakte de nog half gevulde petroleumkan en rende gierend naar de drogist. Mijn moeder kwam vaak bij drogist De Wit.

Het is 5 oktober 2013. Langzaam maar zeker komen steeds meer herinneringen aan mijn moeder naar boven.

 

  1. We zijn van de week wel aan het herinneringen aan het ophalen. Jouw moeder een schat van een tante voor mij.
    Ik weet dat ze ontzettend bang voor onweer was.Ik was een keer bij jullie aan het logeren aan de Rialaan(niet nr. 4 )
    maar waar jullie later gingen wonen.Er draaide een plaat,Carrie,jij en ik dansten op, als ik het nog goed weet “Koetje boe,koetje boe,koetje boe-boe-boe” De lucht werdt donker de stekkers moesten eruit,het dansen was afgelopen.Alles wat roestvrij staal was opgeruimt,zelfs de schaar…..en toen de kelder in.
    Ik vond dat heel vreemd had zoiets nog nooit meegemaakt. Maar het was ook wel spannend.Veel later heb ik heel vaak bij onweer aan dat moment gedacht .

  2. Jeroen van Onselen op

    Mijn moeder sloeg niet. Mooi!, denk ik. Een verlichte geest in een tijd dat ouders massaal wél sloegen. Ze knijpt. Eh… En nu kom ik er vanavond niet meer uit. Als ik mag kiezen als kind, is het dan slaan of knijpen?

  3. Gert op

    Het is allebei niet goed, Jeroen. Het is overigens niet zo dat zij knijpend door het leven ging. Ik moest het wel erg bont gemaakt hebben als zij tot deze maatregel overging. Als je mij kent, weet je dat ik dus weinig geknepen werd. 😉 En het kneepje was ook minder gemeen dan uit mijn verhaal misschien blijkt. Ik heb er in elk geval geen trauma’s aan over gehouden.

    • Gert op

      Bij mijn weten verkocht de drogist geen onderbroeken. Wel petroleum. Om de een of andere reden ging ze altijd petroleum halen. Of het nu nodig was of niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *