Tegen de wind in (2) – Overbodige ballast

Hijgend en steunend fietst Johan tegen de storm en regen in. Op weg naar de regenboog, die hij nog altijd in de verte voor zich ziet. Tranen rollen over zijn wangen. Het zijn tranen van inspanning en van teleurstelling. Want hoe stevig hij ook doortrapt, die regenboog komt geen centimeter dichterbij. ‘Loser’, moppert Johan tegen zichzelf. ‘Ooit gehoord dat iemand een regenboog kon bereiken? Je bent bezig met een zinloze missie. Dat weet je zelf ook. Stop ermee. Stap af.’

Johan kijkt voor zich uit. Hij ziet een eindeloos lijkende kaarsrechte weg in het uitgestrekte open polderlandschap. En aan het eind van de weg staat de regenboog. ‘Daar schijnt de zon. Daar wil ik heen’, mompelt hij, terwijl hij nog eens extra druk op de pedalen zet.

Hoe lang fietst hij nu al alleen tegen de wind in? Johan weet het niet meer. Het lijkt hem een eeuwigheid. Ja, een paar keer werd hij ingehaald door andere fietsers die dan hem een stukje met hem op fietsten en hem moed inspraken. Maar die fietsers gingen na een tijdje een andere richting op. Zijn bestemming was niet hun bestemming.

Johan kijkt naar rechts. Naar het donkere water van de brede vaart die parallel aan de kaarsrechte weg loopt. De stormwind komt recht van voren, dus hoeft hij niet bang te zijn dat hij door de wind het water wordt ingeblazen. Maar met die krachtige wind recht tegen komt hij nauwelijks vooruit. Johan is moe. Doodmoe.

Met een bruuske beweging gooit Johan zijn stuur om. Naar rechts. Via een steiger rijdt hij het water van de vaart in. Hij klemt zijn handen stevig om het stuur en voelt hoe hij onder water verdwijnt. Hij voelt het water zijn lichaam binnenkomen. Hij verzet zich niet. Want Johan is moe. Dood…

Dan wordt Johan met een schok wakker. Hij ligt in het gras langs de kant van de weg. Hij kijkt om zich heen en ziet zijn fiets liggen. ‘Ik ben al fietsend in slaap gevallen’, realiseert hij zich. Hij kijkt naar het donkere water van de vaart waarin hij zich zojuist in een droom kopje onder zag gaan. ‘Was het maar waar’, verzucht hij, maar tegelijkertijd schrikt hij van de gedachte.

Johan kijkt naar zijn fiets. Hij ziet zijn fietstassen uitpuilen van de bagage die hij tijdens zijn tocht heeft verzameld. Ook zijn rugtas en jaszakken zitten overvol. Hij staart in de verte, naar de regenboog die er nog altijd staat. Het lijkt erop dat de wind ook even is gaan liggen. Johan staat op en maakt zijn zakken leeg. De inhoud legt hij op de weg. Datzelfde doet hij met de inhoud van de rugtas en de fietstassen. Al zijn bagage ligt nu uitgestald op de weg. Hij kijkt ernaar en legt alle spullen waar hij aan gehecht is of die mooie herinneringen oproepen apart. De bagage die hem niet raakt of nare herinneringen naar boven laat komen, stopt hij in de fietstassen. ‘Dit is allemaal overbodige ballast die het fietsen onnodig zwaar maakt’, concludeert hij, terwijl hij de tassen van zijn fiets haalt en met een boog in het water gooit. De fietstassen zijn zo zwaar dat ze meteen onder water verdwijnen.

De overgebleven bagage doet Johan in zijn jaszakken en rugtas. Hij stapt weer op zijn fiets en merkt meteen dat het fietsen een stuk makkelijker gaat. En hij heeft weer ruimte om nieuwe bagage te verzamelen, want zijn zakken en rugtas zijn niet meer helemaal gevuld.

Johan kijkt vooruit, naar de regenboog. Hij voelt hoe de wind weer in kracht toeneemt. Dan remt hij plotseling af en gooit met een bruuske beweging zijn stuur 180 graden om. Hij verrast hiermee de wind, die hij nu plotsklaps in de rug heeft. Hij schakelt de versnelling op en laat de pedalen krachtig rondgaan. De regenboog achter zich latend. Johan kijkt vooruit en ziet in de verte een regenboog verschijnen. En als hij naar links en naar rechts kijkt ziet hij hetzelfde gebeuren.  ‘Het maakt dus niet uit welke kant ik op ga, ooit kom ik op een plek waar de zon schijnt’, denkt Johan hardop. ‘Ik hoef dus niet altijd tegen de wind in te fietsen, maar kan mijn route aanpassen.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *