Tegen de wind in (3) – En dan ook nog sneeuw

Johan leunt tegen het hek van een weiland en kijkt om zich heen. Het uitgestrekte polderlandschap is veranderd in een kleine witte wereld. De gestaag neerdwarrelende sneeuwvlokken ontnemen hem het zicht op zijn reisbestemming. Hoe hij ook tuurt, in geen van de vier windrichtingen is meer een regenboog te zien. Aan de overkant van de weg ziet Johan een besneeuwde steiger die als een witte vinger naar het donkere water van de vaart wijst. Het is de steiger waar hij zich een paar weken geleden  ontdeed van zijn overbodige bagage. ‘Ik ben dus helemaal geen steek verder gekomen’, stelt hij hardop vast.

En het leek juist zo goed te gaan nadat hij de zorgvuldig uitgezochte ballast in het water had gesmeten. Het maakte het fietsen een stuk lichter. En omdat Johan overal waar hij keek regenbogen zag, kon hij de tegenwind regelmatig verrassen door een andere richting in te slaan.  ‘Het maakt  niet uit welke kant ik op ga, ooit kom ik op een plek waar de zon schijnt. Ik hoef dus niet altijd tegen de wind in te fietsen, maar kan mijn route aanpassen’, hield hij zich voor. En dat deed Johan dus ook. Zodra hij de wind weer tegen kreeg, sloeg hij links- of rechtsaf. Dat hij daardoor eigenlijk rondjes fietste en niet dichter bij een regenboog kwam, had hij niet in de gaten.

En nu is het dan ook nog gaan sneeuwen. Een extra handicap voor Johan, die door zijn wankele evenwicht toch al zoveel moeite heeft om overeind te blijven. Knijpend in de handvatten van zijn stuur vervolgde hij glibberend en glijdend zijn fietstocht. Hij voelde hoe zijn bovenlijf verkrampte. Hij voelde de steken in zijn borst. Bij elke pedaalslag bonsde het  ‘Doorgaan’ in zijn hoofd. Totdat hij voelde dat zijn voorwiel weggleed in de sneeuw en hij met een smak op de grond terecht kwam.

Johan leunt tegen het hek van een weiland. Het is koud, maar hij voelt het niet. Hij is met zijn gedachten bij een eerdere periode in zijn fietstocht. Johan ziet zich weer fietsen met Cathy. Allebei naast een kinderfiets. Ze hebben plezier met z’n vieren. Dan ziet Johan weer voor zich dat er fietsers bij komen. De groep fietsers om hem heen wordt steeds groter. Cathy is een vrolijke, spontane vrouw en heel sociaal. Zij nodigt iedereen die ze tegenkomt uit gezellig mee te fietsen. Johan zal dat niet zo snel doen, maar vindt het allemaal best. Hoewel… niet altijd. Als hij na een dag werken weer terug fietst naar zijn gezin hoopt hij wel eens stiekem dat al die anderen er niet zijn. Dan wil hij gewoon weer lekker knus even met z’n viertjes fietsen.

In gedachten ziet Johan weer hoe groot en hecht de groep fietsers is als de wind opsteekt en duidelijk wordt dat de aanwakkerende storm het op Cathy heeft gemunt. Met z’n allen fietsen ze om Cathy heen om haar te beschermen tegen de wind. Maar hoezeer ze ook allemaal hun best doen, ze kunnen niet voorkomen dat Cathy van haar fiets wordt geblazen. Ze stappen af en zetten hun fietsen in een grote kring. De fiets van Johan en de twee kinderfietsen staan in het midden. ‘Zo zullen we ook verder fietsen’, beloven alle fietsers plechtig. ‘Jullie hoeven niet met z’n drietjes verder. Wij fietsen altijd naast jullie.’ En hoewel Johan wel eens gewenst had dat de groep er niet altijd zou zijn, is hij nu maar wat blij met het aanbod. Eensgezind stappen ze allemaal weer op de fiets om de tocht voort te zetten. Na een paar honderd meter komen ze bij een kruispunt. Een paar fietsers zeggen dat ze even een andere kant op moeten om wat te regelen. ‘Maar we komen terug’, beloven ze. Johan heeft ze nooit meer gezien. De uitgedunde groep fietst verder. Bij elk kruispunt gaan er enkelen een andere kant op. Johan fietst samen met zijn kinderen verder. Tot het kruispunt waar ook zij hun eigen weg moeten gaan. Dan fietst Johan alleen door.

Johan denkt ook nog even aan Marijke, die hij onderweg tegenkwam. Ook zij fietste alleen nadat haar man door de storm van zijn fiets was geblazen en zij haar kinderen hun eigen route liet fietsen. Het leek hen wel een goed idee om samen verder te fietsen. De gezamenlijke rit was echter van korte duur. Als Johan opzij keek hoopte hij Cathy naast zich te zien. En toen Marijke hem vertelde dat zij elke dag gekookte aardappelen, groente en vlees at, was voor Johan duidelijk dat ze niet bij elkaar pasten, want Johan houdt niet van gekookte aardappelen en groente en al helemaal niet elke dag. De liefde van de man gaat nu eenmaal voor een niet onbelangrijk deel door de maag.

Johan leunt tegen het hek van een weiland. Hij kijkt naar de besneeuwde steiger. ‘Met het ontwijken van de tegenwind schiet ik dus niets op’, concludeert hij. Johan beseft dat hij de storm zal moeten trotseren om bij de regenboog te komen, daar waar de zon schijnt. De regenboog die nu door het dichte sneeuwvlokkengordijn aan het oog wordt onttrokken, maar zich daar zeker ergens achter moet bevinden.

Johan klopt de sneeuw van zich af en haalt zijn mobieltje uit zijn jaszak. Hij stuurt via WhatsApp een berichtje naar zijn kinderen. ‘Kom maar naar huis. Dan gaan we morgen de kerstboom optuigen en de kerstversiering aanbrengen’, typt hij ondanks zijn verkleumde vingers foutloos op het piepkleine toetsenbordje.

Als hij het berichtje heeft verstuurd, stapt Johan op zijn fiets. Hij gaat op weg naar huis. De regenboog heeft hij voor even uit zijn hoofd gezet. Moe van het fietsen tegen de wind in. En dan ook nog sneeuw… Dat is niet te doen. De regenboog, daar waar de zon schijnt, komt later wel. Hij gaat nu naar huis, daar waar de kachel brandt en hij met zijn kinderen gezellig kerst gaat vieren.

 

  1. Jeroen van Sluijters op

    Gert weer tot tranen geroerd. Hele fijne kerstdagen en fiets graag nog stukje met je mee

  2. Daar we op verschillende plekken wonen, zal het meefietsen niet zo makkelijk gaan. Maar als ik je wat extra lucht kan bieden wil ik er voor je zijn.
    Met opgepompte banden fietst het nou eenmaal wat lichter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *