Tegen de wind in (5) – Onder de mensen

U moet de groeten hebben van Johan. U weet wel, die man die al enkele jaren tegen de wind in fietst. Johan stapte in december af om op adem te komen. Nu zit hij alweer een tijdje op de fiets en hij laat u weten dat het goed met hem gaat.

Johan heeft de vaart er flink in. De storm is in kracht afgenomen en is nu niet meer dan een stevige bries. Dat maakt het fietsen voor hem een stuk lichter. Hij kijkt om zich heen en ziet dat het uitgestrekte polderlandschap niet meer wordt omringd door regenbogen. ‘Logisch, want het regent niet meer’, denkt hij. ‘Bovendien waren vier regenbogen natuurlijk natuurkundig gezien ook niet verantwoord.’ Johan glimlacht om deze constatering. Hij is eigenlijk ook wel blij dat de regenbogen zijn verdwenen. ‘Ik heb me er veel te veel door laten leiden’,zegt hij hardop. ‘Zeg maar gerust misleiden”, geeft hij zichzelf antwoord.’ Bij elke windstoot tegen nam Johan namelijk de eerstvolgende afslag, want daar stond in de verte immers ook een regenboog. En zo fietste hij dan even zonder tegenwind verder, naar daar waar de zon scheen. Tot het moment dat hij de wind weer vol tegen kreeg en dus weer de volgende afslag nam. ‘En zo fietste ik dus alleen maar rondjes en schoot ik geen meter op’, concludeerde hij, toen hij voor de zoveelste keer langs de plek bij de vaart kwam waar hij eerder zijn overbodige bagage had gedumpt.

Nu zit Johan fluitend op de fiets. Hij fluit mee met Destiny’s Child, die I’m a survivor zingt in zijn hoofd. Af en toe steekt de wind weer wat op, maar Johan fietst door. De afslagen bij de kruispunten in de lange, verlaten polderweg laat hij links en rechts liggen. Johan kijkt vooruit. Hij ziet in de verte de contouren van een stad opdoemen. ‘Daar moet ik zijn’, weet hij. ‘Daar kan ik fietsen in de beschutting van de huizen. Daar fietsen nog veel meer mensen en met sommigen van hen kan ik misschien wel een stukje oprijden. Dat fietst heel wat prettiger dan in je eentje in zo’n wijds polderlandschap.’

Johan zet nu wat meer druk op de trappers van zijn fiets en ziet hoe de huizen bij elke pedaalslag dichterbij komen. Dan ziet hij aan de rand van de stad een groepje mensen staan. Ze zwaaien naar hem. ‘Het lijkt wel of ze me opwachten’, denkt hij, en voelt hoe zijn lichaam wordt vervuld van warmte. Johan zwaait terug. ‘Ik ben er bijna, maar nog niet helemaal’, zingt hij een oud schoolreisliedje.

Nog een klein stukje en dan is Johan bij de mensen die op hem wachten. In een flits schieten de laatste jaren van zijn fietstocht door zijn hoofd. Hij dacht na het verlies van Cathy wel alleen verder te kunnen fietsen, niemand nodig te hebben. Het werd een barre tocht, waarin hij soms wel eens  dacht dat het misschien beter zou zijn om…

“Hèhè, ben je er eindelijk?”, maakt één van de wachtenden hem los uit zijn overpeinzingen. “Kom, we gaan even ergens een bakkie doen en dan fietsen we met elkaar verder.”

“Graag”, zegt Johan. Hij is weer onder de mensen en hij beseft dat hij hen nodig heeft. “Ik kan het niet alleen.”

 

  1. Woww, mooi verhaal weer Johan, ehh ik bedoel Gert :))) En lekker nummer van de Dijk erachteraan.

    Het vorige verhaal over Tinie liepen de tranen over mijn wangen. Ik heb geloof ik nog niet gereageerd. Tsja en mens is niet gemaakt om alleen te zijn he? Tenminste dat is wat ik denk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *