Tegen de wind in

Hijgend zit Johan langs de kant van de weg. Zijn knieën opgetrokken, voorovergebogen met zijn hoofd rustend op zijn onderarmen. Johan is moe. Doodmoe. Hij heeft zijn fiets neergesmeten en is in het natte gras van de berm gaan zitten. De stormwind beukt tegen hem aan, de regen doorweekt zijn kleding. Hij voelt het niet. Want Johan is moe. Doodmoe.

‘Hoe sterk is de eenzame fietser, die kromgebogen over z’n stuur tegen de wind, zichzelf een weg baant…’, zingt Boudewijn de Groot in zijn hoofd. ‘Sterk’, mompelt Johan in zichzelf, ‘maar het houdt een keer op.’

Johan kijkt om zich heen. In het uitgestrekte polderlandschap is in geen velden of wegen een levend wezen te bekennen. De mensen hebben zich teruggetrokken in hun boerderijen en ook het vee heeft wijselijk beschutting gezocht tegen storm en regen. Johan laat zijn hoofd weer zakken en sluit zijn ogen. Terwijl hij zo zit laat hij zijn fietstocht aan zich voorbij trekken.

Johan ziet zichzelf fietsen in zijn jeugd. Veilige rondjes in de buurt van het ouderlijk huis. Later werden het echte tochtjes. Naar school, naar het werk. Tijdens één van zijn tochten ontmoette hij Cathy. Ze besloten samen op te fietsen en genoten van hun gezamenlijke tocht. En toen er enkele jaren later twee kinderfietsen bij kwamen konden zij hun geluk niet op. Het was heerlijk fietsen met de wind in de rug.

Maar ongeveer tien jaar geleden begon de wind te draaien en moesten ze steeds vaker tegen de wind in fietsen. Het ging eigenlijk ongemerkt en ze trapten dapper door. De tegenwind nam echter gestaag toe en ontwikkelde zich tot een zware storm. Johan ziet weer voor zich hoe zijn gezin uit elkaar werd geblazen. Cathy moest afstappen. Johan fietste samen met de kinderen nog een stukje door, maar kon hen uiteindelijk niet meer bijhouden en riep dat ze maar ieder hun eigen weg moesten gaan.

In zijn gedachten ziet Johan hoe hij de laatste jaren in zijn eigen tempo probeerde door te fietsen. Maar welke richting hij ook ging, altijd was er die tegenwind. Het fietsen ging hem steeds meer moeite kosten, maar hij zette door. Af en toe profiterend van de momenten dat de wind even afnam. Dan schakelde hij de versnelling op. Maar net als hij dacht de vaart er lekker in te hebben, stak altijd de wind weer op. En steeds vaker met stormkracht.

Johan ziet weer voor zich hoe hij een paar keer door de stormwind van de weg werd geblazen en in het naast de weg gelegen water terecht kwam. Beangstigend, zeker als je niet kunt zwemmen. Hij ziet zichzelf weer spartelen en hoort zich weer om hulp schreeuwen. Hij ziet weer de voorbijgangers die hem toeroepen ‘Je moet 1-1-2 bellen’ en vervolgens hun weg vervolgen. Hij ziet weer voor zich hoe hij met veel moeite toch weer op het droge wist te komen en weer op zijn fiets stapte.

‘Maar nu stop ik ermee’, mompelt Johan in zichzelf, nadat hij zojuist voor de zoveelste keer bijna van de weg werd geblazen. Met veel stuurmanskunst wist hij te voorkomen dat hij weer in het water terecht kwam. Hij stapte af, smeet zijn fiets neer en ging in het natte gras van de berm zitten. ‘Ik stop ermee. Ik ga niet meer verder’.

Johan kijkt om zich heen. In het uitgestrekte polderlandschap is in geen velden of wegen een levend wezen te bekennen. De mensen hebben zich teruggetrokken in hun boerderijen en ook het vee heeft beschutting gezocht tegen storm en regen. Maar dan… in de verte… ziet hij een regenboog. En dat doet hem besluiten op te staan. Want waar een regenboog is schijnt ook de zon.

Johan raapt zijn fiets op, zet het stuur recht en stapt weer op. Met wind en regen vol tegen buigt Johan zich over het stuur en laat hij de pedalen krachtig rond gaan. ‘Hoe sterk is de eenzame fietser, die kromgebogen over z’n stuur tegen de wind, zichzelf een weg baant…’, zingt hij nu zelf.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *