Wachten op een hart

Veifgever: Paul Slijpen
Woorden: Wolken – bier – donor – tankstation – fotocamera

Zwijgend zitten ze naast elkaar op een bankje in het bos. Hun fietsen staan tegen een dikke boom. De stilte wordt slechts verbroken door een piepend hijgen. Leo kijkt zijn vrouw Marja bezorgd aan. Ze is kortademig en heeft het benauwd. “Het was misschien toch niet zo verstandig om te gaan fietsen, lieverd”, zegt hij. Marja is niet in staat antwoord te geven, maar kijkt hem met een veelzeggende blik aan. Leo voelt een traan over zijn wang lopen en slaat zijn arm om zijn vrouw heen.

Leo neemt een slok uit een blikje limonade dat ze onderweg bij een tankstation hebben gekocht. Hij had eigenlijk liever een blikje bier gehad, maar dat mag daar niet verkocht worden. “Bah, lauw”, moppert hij en kijkt weer naar zijn vrouw. De benauwdheid lijkt weer wat af te nemen, het hijgen wordt minder. “Mooi hier”, brengt ze moeizaam uit. Leo ziet een glimlach op haar gezicht komen en voelt weer een traan op zijn wang. Hij geeft Marja een kus. Zij drukt haar lichaam wat steviger tegen zijn lichaam aan.

Leo en Marja. Hij 58 jaar, zij 54 jaar. Al bijna 30 jaar getrouwd. Geen kinderen. Hij heeft een goede baan, zij had een goede baan. Ze genoten van het leven, maakten verre reizen en zaten tot een paar jaar geleden nog vol toekomstplannen. Maar het lot beschikte anders. Marja kreeg gezondheidsproblemen. Ze raakte steeds sneller vermoeid en kortademig. “Ga toch eens naar de dokter”, had Leo haar aangeraden toen hij op een gegeven moment zag dat haar enkels opgezwollen waren. “Dit is niet goed. Ik maak me zorgen over je.” Maar Marja had zijn advies weggewuifd. Zij had het niet zo op dokters. “Het gaat wel weer over”, zei ze. Maar de klachten verergerden en een bezoek aan de huisarts werd onvermijdelijk. Onderzoeken volgden en de diagnose werd gesteld.

Marja lijdt aan ernstig hartfalen. Kans op genezing is er niet. De enige mogelijkheid om te overleven is een harttransplantatie. Het wachten is op een donorhart. Maar die zijn schaars. “Wrang eigenlijk dat ik nu zit te hopen dat er iemand dood gaat, zodat ik verder kan leven”, zegt Marja vaak. Ze voelt zich dan bekropen door een vreemd soort schuldgevoel. Maar toch hoopt zij elke keer als de telefoon gaat op de verlossende boodschap vanuit het ziekenhuis. “We hebben een donor. Kunt u zo snel mogelijk naar het ziekenhuis komen?” Hoe vaak heeft Marja deze mededeling al niet in haar gedachten gehoord? En hoe vaak heeft zij niet teleurgesteld gereageerd toen bleek dat de beller een familielid of een vriendin was. Ook dan bekruipt haar dat schuldgevoel.

“We gaan een stukje fietsen. Dat is al zo lang geleden en ik wil nog een keer genieten in het bos”, had Marja vanmorgen tijdens het ontbijt gezegd. Leo werd er nogal door overvallen. “Zouden we dat nu wel doen?”, vroeg hij. “Dat is toch veel te inspannend voor je.” Maar Marja was stellig in haar voornemen. “Ja”, zei ze, “dat gaan we doen. Ik voel me best goed en dit wil ik echt nog een keer doen. We nemen de fotocamera mee, dan kunnen we onderweg een paar mooie foto’s maken. Het is misschien wel de laatste keer dat het nog kan.”

‘Het kon dus eigenlijk niet’, denkt Leo, terwijl hij nog altijd met zijn vrouw tegen zich aan gedrukt op het bankje zit. ‘Hoe ver hebben we nu helemaal gefietst? Twee kilometer tot aan het tankstation om daar onder het mom van wat te drinken kopen te kunnen uithijgen. En een kilometer of drie tot aan dit bankje.’ “Wat is het mooi hier hè”, zegt Marja. Haar gezicht straalt.

Leo kijkt omhoog. “Ik denk dat we beter weer eens op huis aan kunnen gaan. Kijk eens naar die wolken. Ik denk dat we zo een stevige bui krijgen en het is nog een behoorlijk eind fietsen”, zegt hij, zich losmakend uit de omhelzing.

Net voordat de bui losbarst, zijn Leo en Marja thuis. “Stom. Helemaal vergeten mee te nemen”, roept Leo, wijzend op de mobiele telefoon die op tafel ligt. Hij drukt het toestel aan en ziet op het scherm de tekst ‘Gemiste oproep’ met daaronder het nummer van het ziekenhuis. Hij neemt plaats naast Marja die uitgeteld en hijgend op de bank zit. Met trillende vingers tikt hij gehaast het nummer van de voicemail in en houdt het toestel tussen hun hoofden in. Samen horen ze: “Goedemorgen. We hebben een donorhart voor u. Kunt u zo snel mogelijk naar het ziekenhuis komen?”

Leo en Marja vallen elkaar huilend in de armen. “Ik blijf het zo bizar vinden dat wij hier samen zitten te huilen van vreugde, terwijl er ergens anders mensen huilen om het verlies van een dierbare”, zegt Marja als zij haar tranen heeft gedroogd. “Dat is het ook”, antwoordt Leo. “Maar laten we dankbaar zijn dat deze man of vrouw zich als donor heeft geregistreerd. Dat zou eigenlijk iedereen moeten doen. Dan kunnen er veel meer levens worden gered.”

Vijf minuten later zitten Leo en Marja in de auto. Op weg naar een nieuwe ronde in hun leven. Dankbaar dat die onbekende donor zijn of haar hart uit liefde voor de medemens heeft afgestaan.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *