Zij aan zij

Zij aan zij

Staan zij

In de tuin van de overbuur

Ik zie hun kruinen boven het dak van mijn schuur

 

Rechts staat hij, als een oude kale heer

Stram en stijf

Naakt, geen blad meer aan zijn lijf

 

Links staat zij, een mooie conifeer

Een juffer, groen gekleed

Die niet onder herfst en winter leed

 

Wulps wiegend danst zij in de wind

Ze is nog jong, nog maar een kind

Denkt hij, en laat haar maar begaan

Terwijl hij roerloos stil blijft staan

 

Zij heeft nochtans de smaak te pakken

En werpt zich onstuimig in zijn kale takken

Heel even lijkt het alsof zijn houten lijf een beetje trilt

Maar hij herpakt zich snel en gilt

Raak me niet aan

Blijf rustig naast me staan

 

Zij laat hem los, voelt zich alleen

En fluistert: je bent van hout, toch niet van steen?

Hij antwoordt niet, ergert zich aan een merel

Die op zijn kale kruin zit te flirten met haar kerel

Jaag ze weg, smeekt hij de conifeer

Maar die beweegt nu ook niet meer

 

Zij aan zij

Staan zij

In de tuin van de overbuur…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *