Zonder hem ben ik nergens

We kwamen allebei net uit bed. Ik keek naar hem. Zijn haren verwilderd door het woelen, zijn wangen ongeschoren. Niet bepaald een aanblik die vlinders in de buik opwekt, bedacht ik me. Hij zag het me denken. We moesten er allebei om lachen. “Wat ben ik blij dat je er bent’, zei ik. Want op dat moment besefte ik dat ik zonder hem nergens zou zijn.

We kennen elkaar al heel lang. Zo’n beetje mijn hele leven. Ik zal een jaar of vier, vijf geweest zijn toen ik hem voor het eerst zag. Dat wil zeggen, dat ik me ervan bewust was dat ik hem zag. Sindsdien zijn we onafscheidelijk. Ik heb hem zien opgroeien. Als kind was hij best een grappig kereltje. Ik herinner me nog dat hij mee was op vakantie en dat we een pretpark bezochten. Hij vermaakte ons gezin door zich heel klein en dik te maken en zich vervolgens uit te rekken tot een lange dunne bonenstaak. Wat heb ik toen om hem gelachen.

In de jaren die volgden zijn we altijd bij elkaar gebleven. We zien elkaar meerdere keren per dag. Dan kijken we elkaar zwijgend aan. We hoeven niets te zeggen, we begrijpen elkaar. We lijken op elkaar, maar zijn tegelijkertijd ook elkanders tegenovergestelde.

Mijn hele leven heb ik onze relatie als vanzelfsprekend ervaren. Hij was er, hij is er. Ik vond dat nooit bijzonder. Terwijl het wel heel bijzonder is. Want stel nu eens dat hij er niet is. Waar ben ik dan? Zonder hem ben ik nergens. En daarom heb ik me voorgenomen om wat vaker tegen hem te zeggen dat ik blij ben met zijn aanwezigheid. “Wat ben ik blij dat je er weer bent”, zal ik dan zeggen als ik voor de spiegel sta.

  1. Dit is echt heel erg mooi beschreven. Je taalgebruik pakte me sowieso al meteen, de inhoud is erg kwetsbaar, mooi en lief en bij het lezen van het einde kreeg ik tranen in mijn ogen.

    • Gert op

      Dank je wel, Tanya.Soms valt je opeens op dat iets dat vanzelfsprekend lijkt eigenlijk heel bijzonder is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *