Verliefd

Ik ben nu al een week of twee bezig met het opruimen van de chaos in mijn huis. De eerste week ging het best snel. Op de zolderverdieping griste ik alle niet meer in gebruik zijnde kledingstukken en ouwe troep bij elkaar en propte het zonder aanziens des dings in vuilniszakken. Dat ruimt lekker op. Inmiddels ben ik een verdieping lager bezig in wat wij de rommelkamer noemen. Die kamer doet zijn naam alle eer aan. Het opruimen van de rommelkamer verloopt veel minder voorspoedig dan het opruimen van de zolderverdieping. Dat komt doordat daar veel meer spullen liggen die herinneringen oproepen. Soms zit ik minutenlang met iets in mijn handen en droom ik weg in het verleden. Zo kwam ik een oude schoolfoto tegen. Gemaakt in de eerste klas van de lagere school. Daar sta ik op naast mijn eerste grote liefde.~~~~

~~~~Het is juni 1959. Ik ben zeven en zit in de eerste klas van de Juliana van Stolbergschool – School met den Bijbel- aan de Grift in Rotterdam-Vreewijk. Ik ben tot over mijn oren verliefd. Hoewel ik het niet zeker weet, denk ik dat we over wederzijdse liefde mogen spreken. Dat voel ik aan de manier waarop ze tegen me praat en naar me lacht. Een paar dagen geleden vroeg ze me om aan mijn moeder te vragen of het goed was dat ze eens bij ons op bezoek kwam. De volgende dag kon ik haar trots vertellen dat mijn moeder het goed vond. En vandaag is het dan zover. Dadelijk komt ze.

In afwachting van haar komst heb ik me met mijn hengel geposteerd op het bruggetje over de Langegeer. Het bruggetje dat de Kortewelle met de Lede verbindt. De hengel heeft mijn vader voor me gemaakt. Het is een lange stok met naaigaren er aan als vislijn. De dobber heeft mijn vader gemaakt van een kurk en een lange lucifer. Een veiligheidsspeld doet dienst als haakje. Ik ben trots op mijn hengel, al heb ik er nog nooit een vis mee gevangen. Vanaf het bruggetje kan ik mooi de Lede in de gaten houden, want daar moet mijn grote liefde vandaan komen. Ik doe net alsof ik naar de dobber staar, maar met een schuin oog kijk ik naar de Lede.

En dan zie ik haar aan komen rijden. Haar lange rok en mooie blonde haren wapperen in de wind. Mijn hart maakt een sprongetje. Mijn god, wat is ze mooi. Op het bruggetje aangekomen, stopt ze. “Heb je al wat gevangen, Gertje”, vraagt ze. Ik voel hoe mijn hoofd begint te gloeien. “Nee juf, nog niet”, breng ik stamelend uit. Dan geeft ze gas en rijdt met haar scooter de Langegeer op. Ik zie haar stoppen voor ons huis.

Als ze een hele tijd later naar buiten komt, zwaait ze naar me. Ik zwaai terug. Dan stapt ze op haar scooter en gaat aan het eind van de Langegeer rechtsaf de Bree op. En hoewel ze niet meer omkijkt, zwaai ik door tot ze uit het zicht is verdwenen. Mijn moeder roept dat ik naar binnen moet komen. Ik pak mijn hengel en de leeg gebleven emmer op –de vissen wilden niet bijten vandaag- en loop via het achterpad naar huis. Mijn moeder vertelt me dat de juf zeer tevreden over me is. Mijn hoofd begint weer te gloeien. Alleen heeft de juf wel het idee dat ik in de klas vaak aan het dagdromen ben. Dat ik er met mijn hoofd niet altijd even goed bij ben. En dan wordt het gezicht van mijn moeder plotseling streng. Want juf heeft ook verteld dat ik een paar keer geen centjes voor het zendingspotje bij me had. Mijn hoofd gloeit opeens weer. Maar nu niet van verliefdheid. Ik voel me verraden. Verraden door mijn grote liefde, die nu met een klap van haar voetstuk dondert. Hakkelend vertel ik mijn moeder dat ik de centjes onderweg naar school ben kwijtgeraakt. Ik zie aan haar gezicht dat ze mijn verhaal niet gelooft. Maar ik houd vol dat het de waarheid is. Ik kan haar toch niet vertellen dat ik van het zendingsgeld bij het groenteboertje aan het Reineveld, dat naast de school is gelegen, snoep heb gekocht? Niet voor mezelf, maar voor haar die tot vijf minuten geleden nog mijn grote liefde was. Ik kan mijn moeder toch niet vertellen dat ik het snoepgoed niet aan haar durfde te geven en het daarom maar zelf heb opgegeten? Nee, ik moet het geld onderweg zijn kwijtgeraakt en ik durfde dat niet te vertellen omdat ik weet dat het geld mijn moeder niet op de rug groeit. Mijn moeder zucht eens diep en drukt me dan op het hart om voortaan beter op de centjes te letten. Ik haal opgelucht adem en ga naar mijn kamertje. Ik val op mijn bed en huil wel een uur lang van verdriet en boosheid. Vanaf nu bekijk ik de juf met heel andere ogen. Mijn god, wat is ze vals. Mijn verliefdheid is op slag over. Over de centjes voor het zendingspotje hoeft mijn moeder zich geen zorgen meer te maken. Ik zal nooit meer bij het groenteboertje snoep kopen voor de juf.~~~~

~~~~Het is januari 2013. Ik zit op een stoel in de rommelkamer. In mijn handen heb ik een foto. Die moet begin jaren ’60 gemaakt zijn. Het is een elftalfoto uit mijn tijd als voetballer bij Zwart-Wit ’28. Ik droom weg in het verleden. Maar dat is voor later.

 

  1. Mooi verhaal weer Gert. Nog even over Zwart Wit ’28. Toen ik in januari 2004 na een ernstig ongeval in het ziekenhuis lag, was een van de eerste dingen die ik op tv zag, het programma netwerk. Er zat een reportage in over de afgebrande kantine of tribune van voetbalclub Zwart Wit ’28. Is me tot op de dag van vandaag bijgebleven.

    • Gert op

      Dank Jan. Die brand waar jij het over hebt, betekende helaas het einde van Zwart-Wit ’28. De vereniging ging failliet. Er komt nog een verhaal over mijn tijd bij de club.

    • Gert op

      Dankjewel Laura. Ik heb inmiddels heel wat foto’s in handen gehad waar verhalen in zitten. Wordt vervolgd dus.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *